Mijn naam is Gianni. Ik zeg altijd dat ik een import-Amsterdammer ben, maar inmiddels voel ik mij hier echt thuis. Gisteren werd ik 41. Ik grap wel eens dat ik vader ben van zestig kinderen, maar inmiddels zijn het er tachtig, want ons project groeit snel.
Acht jaar geleden begon het allemaal met één simpele vraag van een moeder uit de Braziliaanse kerk waar ik kwam. Ze vroeg of ik haar zoon bijles wilde geven, omdat het niet goed met hem ging op school en thuis. Ik had tijd in het weekend, sprak Portugees en begreep de culturele achtergrond, dus ik zei ja. De tweede week nam hij twee vrienden mee. In de vierde week waren het er tien. Zo ontstond het Giving Back Project, onderdeel van een aantal projecten die wij doen voor ongedocumenteerde kinderen en gezinnen in Amsterdam.
Als je systematisch wegkijkt, creëer je een groep mensen die wel meedoet, maar niet kan meekomen.
In Amsterdam leven grofweg twee groepen ongedocumenteerden. De eerste groep zijn mensen mét een asielverleden, afgewezen of nog procederend. De tweede groep zijn mensen uit zogenaamd veilige landen – bijvoorbeeld Brazilië, Colombia, de Filipijnen, Indonesië – die geen asiel aanvragen omdat het toch wordt afgewezen. Zij blijven vaak jarenlang in Nederland: vijf, tien, soms dertig jaar. Zonder zorg, zonder zekerheid, vaak werkend in de schoonmaak, slapend in te dure sociale huurwoningen die onderverhuurd worden voor absurde bedragen.
Wat veel mensen niet beseffen: 95% van de kinderen in onze doelgroep is hier in Amsterdam geboren. Ze voelen zich Amsterdammer, maar worden niet als zodanig gezien. Toen onze kinderen een ambtenaar tijdens een werkbezoek vroegen: “Ziet u ons ook als Amsterdammer?” viel er een pijnlijke stilte. Officieel bestaan ze niet, maar feitelijk leven ze hier al generaties.
Als samenleving zetten we een punt achter het woord “ongedocumenteerd”, terwijl er eigenlijk een komma hoort te staan. Want achter dat woord zitten verhalen, talenten, dromen. En als je systematisch wegkijkt, creëer je een groep mensen die wel meedoet, maar niet kan meekomen. Dat heeft gevolgen: jongeren die niet mogen studeren, geen werk mogen hebben, belanden vaker in de criminaliteit – niet omdat ze willen, maar omdat er geen alternatief is. En daarna wijzen wij met de vinger, terwijl we hen nooit een kans hebben gegeven.
Ik zie schrijnende situaties. Gezinnen die alles in Brazilië hebben verkocht om hier een betere toekomst te vinden. Mensen die met vier gezinnen in één appartement wonen. Een vrouw die ik kende overleed aan kanker en suikerziekte. Ze kon haar medicijnen, die met een speciaal stempel maar vijf euro kostten, niet eens betalen. Ze koos ervoor hier te blijven omdat haar kinderen hier tenminste onderwijs krijgen – onderwijs dat tien keer beter is dan wat ze in hun land van herkomst zouden krijgen.
Dat raakt me. Net als het verhaal van de jongen van tien jaar die ik in Brazilië ontmoette, bij de supermarkt, wachtend tot iemand een brood voor hem kon kopen. Zijn lichaam zat vol tatoeages. Toen ik vroeg wat zijn droom was, zei hij: “Ik ben al blij als ik dertig word.” En toen hij hoorde dat ik in Nederland woonde, zei hij: “Ik zou alles geven om daar te wonen.” Hier, waar andere kinderen worstelen met het idee dat ze niet mogen studeren omdat ze geen papieren hebben.
Kijk achter de status, achter de angst, en zie de mens. Dan pas kunnen we een samenleving bouwen waarin iedereen kan bijdragen.
Gelukkig verandert er af en toe iets. In Amsterdam is er nu een convenant waardoor ongedocumenteerde jongeren met het niveau voor hoger onderwijs tóch mogen studeren met een studievisum. Binnenkort geldt dit ook voor mbo. Dat geeft hoop. Ik heb kinderen die begonnen met vmbo-advies en nu vwo doen. Meiden die hier vijf jaar geleden aankwamen en nu studeren aan de Hogeschool van Amsterdam. Voor mij ben ik daardoor de rijkste man ter wereld – rijk aan betekenis.
Mijn motivatie komt uit mijn geloof en uit de opdracht die ik zie staan in Jeremia: zet je in voor de bloei van je woonplaats, want de bloei van je woonplaats is ook jouw bloei. Voor mij gaat dat over mensen. Ik wil niet door de wereld gezien worden; ik wil de wereld van deze mensen zien.
Wat ik jongeren zou willen meegeven – en eigenlijk ons allemaal: stop met alleen praten over verbinding. Verbinding is mooi, maar vaak oppervlakkig. Wat we nodig hebben is verdieping. Kijk achter de status, achter het woord “ongedocumenteerd”, achter de angst, en zie de mens. Dan pas kunnen we een samenleving bouwen waarin iedereen kan bijdragen.
Foto ©Denise Kuenen